Juridisch Fiscaal Juridisch

Afschaffing Franse vermogensbelasting – en invoering van één belastingtarief

Jan-Willem VAN LOTRINGEN
Avocat
Email: [email protected]
23 januari 2018

Afschaffing Franse vermogensbelasting – en invoering van één belastingtarief voor inkomsten- ter zake van roerende goederen

Sinds de installatie van Emmanuel MACRON als nieuwe president van Frankrijk in mei 2017, heeft hij al een groot aantal van zijn verkiezingsbeloftes waargemaakt. Zoals hij het zelf zo kort en krachtig uitdrukt, is hij “meer een doener, dan een Vermogensbelastingblijver”. Hij is dus minder begaan met zijn eigen populariteit en toekomstige herverkiezin g dan zijn voorgangers, François HOLLANDE en Nicolas SARKOZY. Sinds zijn aantreden hebben de opiniepeilers dan ook in groten getale het “Elysées” verlaten. Vermogensbelasting.

De belangrijkste hervormingen, die sinds mei 2017 in Frankrijk zijn doorgevoerd, betreffen :

  • de flexibilisering van de arbeidsmarkt met als doel de verlaging van de werkloosheid;
  • de strengere toelatingseisen voor de hogeschool en universiteit met als doel geen studenten op te leiden die later geen baan vinden;
  • een verlaging van de belasting voor het bedrijfsleven met als doel de investeringen aan te wakkeren;
  • een verlaging van de belasting voor particulieren en van de sociale lasten voor gesalarieerden met als doel de koopkracht te verhogen.

Voor de komende maanden staan als hervormingen op het programma de verhoging van de competitiviteit van het bedrijfsleven en de strengere aanpak van de fiscale fraude.

I    AFSCHAFFING[1] FRANSE VERMOGENSBELASTING ROERENDE GOEDEREN

De fiscale wet 2018 (“Loi de Finances 2018”), in werking getreden per 1 januari jl., heeft de vermogensbelasting terzake van roerende goederen afgeschaft. Dit geldt dus uitdrukkelijk niet voor onroerende goederen.

Emmanuel MACRON wil hiermee enerzijds bewerkstelligen dat de Fransen, die vanwege fiscale redenen naar het buitenland zijn geëmigreerd, terugkeren (en aldus in Frankrijk consumeren en belasting betalen), en anderzijds dat alle Fransen hun spaargeld minder in onroerende goederen en meer in roerende goederen, zoals aandelen en obligaties van het Franse bedrijfsleven, zullen investeren dan nu het geval is.

Ter verduidelijking, sinds het aantreden van president MITTERAND in 1981 zijn er om en nabij 1.500.000 Fransen naar Zwitserland, België en Engeland geëmigreerd. Als deze terugkeren, betaalt het overgrote deel van hen inkomstenbelasting in Frankrijk en wordt de Franse staatskas daarmee flink gespekt. De tweede opmerking ter verduidelijking is dat de Franse beleggers traditiegetrouw een veel groter deel, dan de inwoners van andere Europese landen, van hun spaargelden in onroerend goed en dus niet in aandelen en obligaties op de effectenbeurzen beleggen.

Ter herinnering, de tarieven van de Franse vermogensbelasting:

Waarde                                                           Percentage
€ 0 – € 800,0000%
€ 800,000 – € 1,300,0000.50%
€ 1,300,000 – € 2,570,0000.70%
€ 2,570,000 – € 5,000,0001.00%
€ 5,000,000 – € 10,000,0001.25%
€ 10,000,000 en hoger1.50%

 De Franse vermogensbelasting (“Impot de Solidarité sur la Fortune”) is per 1 januari 2018 dus omgedoopt tot Franse onroerend goedvermogensbelasting (“Impôt de Fortune Immobilière/IFI”) en geldt voor in Frankrijk gelegen onroerende goederen, onafhankelijk van de vraag waar de eigenaar van die onroerende goederen zijn fiscale woonplaats heeft[2]. Voor het gemak wordt hierna nog steeds gesproken van Franse vermogensbelasting.

Onder onroerende goederen wordt verstaan: direct op naam gehouden onroerende goederen en aandelen in vennootschappen die, direct of indirect, onroerend goed in Frankrijk bezitten. Aandelen in dergelijke vennootschappen zijn belast met Franse vermogensbelasting naar rato van de waarde van het door die vennootschappen aangehouden onroerend goed.

A is bijv. voor 40% eigenaar van een Nederlandse BV, die direct op naam in Nederland gelegen onroerend goed houdt ter waarde van € 7.000.000, alsmede een Société Civile Immobilière die onroerend goed aanhoudt in Frankrijk ter waarde van € 6.000.000. A. dient dan in Frankrijk vermogensbelasting te betalen over 40% van € 6.000.000 = € 2.400.000. Gezien de belastingvrije grondslag van € 800.000, betaalt hij dan vermogensbelasting over een waarde van € 1.600.000 ofwel in totaal (0,5% x € 500.000 + 0,7% x € 1.100.000 =) € 10.200 [3].

Onroerende goederen, welke aangewend worden voor de exploitatie van een commerciële onderneming worden niet meegerekend voor de berekening van de belastbare grondslag van de Franse vermogensbelasting [4].

Ook zijn deelnemingen kleiner dan 10% in vennootschappen met een commerciële onderneming, die onroerend goed in Frankrijk bezitten, vrijgesteld van Franse vermogensbelasting.

De overige vrijstellingen onder de oude wet zijn gelijk gebleven [5]. Van de waarde van de hoofdwoning mag 30% worden afgetrokken voor de berekening van de belastbare grondslag van de Franse vermogensbelasting en alvorens belasting wordt geheven moet eerst een drempel van € 1.300.000 worden overschreden. Wordt die drempel overschreden dan wordt belasting geheven over het meerdere van € 800.000. De belasting dient spontaan aangegeven te worden vóór 1 mei door Frans fiscaal ingezetenen en in beginsel vóór 15 juli door niet-Frans fiscaal ingezetenen. De belasting dient onmiddellijk met de aangifte voldaan te worden.

De fiscale wet 2018 heeft wel de aftrekbaarheid van leningen van de belastbare grondslag voor de Franse vermogensbelasting een stuk ingeperkt.

Ten eerste mag de hoofdsom van een lening, die eerst aan het einde van de looptijd in één keer kan worden afgelost, niet meer volledig worden afgetrokken [6]. Op een dergelijke lening wordt een fictief en lineair aflossingsschema van toepassing geacht, afhankelijk van de looptijd van de lening.

Bijv. A. heeft een huis van € 5.000.000 gekocht en de aankoop deels gefinancierd met een lening van € 4.000.000, waarvan de hoofdsom aan het einde van 10 jaar in één keer kan worden afgelost. Het eerste jaar kan A. het totale bedrag van € 4.000.000 van de belastbare grondslag voor de Franse vermogensbelasting aftrekken. Het tweede jaar is dit nog € 3.600.000. Het derde jaar € 3.200.000 en zo verder.

Ten tweede kan financiering, verkregen van familieleden in de rechte lijn [7] of van vennootschappen, waarin de belastingbetaler een direct of indirect belang heeft, niet meer volledig afgetrokken worden als het met die lening gefinancierde onroerend goed een waarde heeft van meer dan € 5.000.000 en de financiering meer dan 60% van die waarde betreft. Alsdan kan van het meerdere van 60% van de financiering slechts de helft worden afgetrokken.

Bijv. A heeft een huis gekocht ter waarde van € 8.000.000, waarvan hij € 6.000.000 heeft gefinancierd via zijn persoonlijke holding. Hij kan dan terzake van de financiering 60% x € 6.000.000 = € 3.600.000 aftrekken en ook nog 50% x (€ 6.000.000 -/- € 3.600.000) = € 1.200.000.

Hoewel de aftrekbaarheid van de leningen is beperkt, is de aard van de leningen die afgetrokken mogen worden verruimd.

In tegenstelling tot de situatie vóór 1 januari 2018 kan een aandeelhouder van een “Société Civile Immobilière”, die een lening heeft gekregen van een vennootschap, waarin die aandeelhouder een belang heeft, die lening pro rata het percentage van de aandelen in de SCI aftrekken van de belastbare grondslag van de waarde van zijn aandelen voor de Franse vermogensbelasting, op voorwaarde dat de lening niet het primaire doel heeft om belasting te voorkomen [8].

II   INVOERING FLAT RATE VAN 30% (INKOMSTENBELASTING & SOCIALE LASTEN)
 
De fiscale wet 2018 (“Loi des Finances 2018”) heeft de inkomstenbelasting over inkomen uit roerende goederen, voorheen geheven volgens de progressieve inkomstenbelastingtarieven van 14%, 30%, 41% en 45%, afgeschaft en vervangen door een inkomstenbelasting met één en hetzelfde tarief van 12,8%. Dit geldt dus uitdrukkelijk alleen voor inkomsten uit roerende goederen, zoals bijv. inkomsten uit aandelen, obligaties en spaarrekeningen en dus niet voor inkomsten uit onroerende goederen en dus ook niet voor dividenden uit aandelen, die als onroerend worden beschouwd (zie hiervoor de notitie onder punt I : Onroerende goederen, welke aangewend worden voor de exploitatie van een commerciële onderneming worden niet meegerekend voor de berekening van de belastbare grondslag van de Franse vermogensbelasting [4])..

De inkomsten uit roerende goederen bestaan dus voornamelijk uit dividenden en rente enerzijds en gerealiseerde meerwaarde (“plus-value”) bij verkoop van aandelen en obligaties anderzijds.

Tot 1 januari 2018 werd de bij verkoop van roerende goederen gerealiseerde meerwaarde ook belast met de progressieve inkomstenbelastingtarieven van 14%, 30%, 41% en 45%. Wel nam de belastbare grondslag af in de tijd. Als bijvoorbeeld aandelen langer dan twee jaar werden gehouden op datum van verkoop, dan was nog 50% van de meerwaarde belast. Werden de aandelen op datum verkoop langer dan acht jaar gehouden, dan was dit nog slechts 35%. Bij de invoering van één en hetzelfde tarief van 12,8% zijn deze afnames in de tijd van de belastbare grondslag van de meerwaarde van roerende goederen afgeschaft.

Ook zijn de algemene sociale lasten, verschuldigd over alle inkomsten uit arbeid, roerend en onroerend goed, ongeacht of dit directe inkomsten zijn of inkomsten gerealiseerd in de vorm van meerwaarde bij verkoop, verhoogd van 15,5% naar 17,2%. [9]

Sinds de wijziging van de sociale wetgeving in Frankrijk naar aanleiding van het De Ruyter-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (HJEU), zijn die sociale lasten ook weer verschuldigd door niet-Frans fiscaal ingezetenen, die hun fiscale woonplaats elders in de Europese Unie hebben. Die inwoners dienen dus die sociale lasten weer te betalen over de bij verkoop van hun onroerend goed in Frankrijk gerealiseerde meerwaarde [10].

Al met al zijn de inkomsten uit roerende goederen, waaronder de inkomsten bestaande uit bij verkoop van roerende goederen gerealiseerde meerwaarde, dus nu belast met 12,8% inkomstenbelasting en 17,2% sociale lasten ofwel in totaal een belasting van 30%.

III  CASUS
 
Sinds de afschaffing van de vermogensbelasting voor roerende goederen en invoering van een flat rate  van 30% op inkomsten uit roerende goederen, is Frankrijk weer een concurrent van landen als Zwitserland, Engeland en de Benelux op het gebied van de fiscale emigratie, zeker indien het gepensioneerden betreft.

Indien bijv. een Nederlands echtpaar zou besluiten naar Frankrijk te emigreren, betalen zij geen vermogensbelasting over hun roerende goederen en ook niet langer de Nederlandse box-3 belasting. Hun Franse hoofdwoning is dan vrijgesteld van Franse vermogensbelasting, indien de waarde € 1.300.000 niet overtreft. Eventueel in Nederland aangehouden onroerende goederen worden dan op grond van het Frans-Nederlandse verdrag ter voorkoming van betaling van dubbele belasting uit 1973 (het Verdrag) evenmin door de Franse vermogensbelasting bestreken.

Inkomsten uit roerende goederen van het echtpaar zullen zijn belast met 12,8% inkomstenbelasting en 17,2% sociale lasten.

Pensioenuitkeringen zijn op grond van het Verdrag ook alleen in Frankrijk belast en wel ter hoogte van de progressieve inkomstenbelastingtarieven en de sociale lasten.

Wel kent Frankrijk een veel hogere erf- en schenkbelasting dan Nederland [11], maar ook een hogere vrijstelling.

Door het tijdig treffen van regelingen (bijvoorbeeld het doen van schenkingen, het opstellen van een testament, het opmaken of wijzigen van huwelijksvoorwaarden, het opzetten van een bedrijfsopvolgingsfaciliteit) kunnen de negatieve gevolgen van deze hoge erf- en schenkbelasting in Frankrijk ingeperkt of zelfs voorkomen worden.

Advies van een specialist is hierbij noodzakelijk.

Dit artikel is slechts bedoeld om u informatie te geven over de beginselen van het Franse belastingrecht, maar kunnen niet als juridisch fiscaal advies worden beschouwd.

Jan-Willem VAN LOTRINGEN
Avocat
Email: [email protected]
23 januari 2018

Footnotes die bij dit artikel horen:
[1] Artikel 964 tot 983 van het Algemene Wetboek van Belastingen / Code Général des Impôts

[2] Door Frankrijk met andere landen gesloten verdragen ter voorkoming van betaling van dubbele belasting kunnen er in voorzien dat niet-Frans fiscaal ingezetenen vrijgesteld zijn van Franse vermogensbelasting. Dit geldt met name voor Nederlands fiscaal ingezetenen, die onroerend goed in Frankrijk houden via een transparante onroerend goedvennootschap (“Société Civile Immobilière/SCI”)

[3] Krachtens de wetgeving tot 1 januari 2018 was A. geheel vrijgesteld van Franse vermogensbelasting, omdat hij geen meerderheidsaandeel had in een vennootschap die direct of indirect Frans onroerend goed bezit en het vermogen van de vennootschap niet uit meer dan 50% Franse onroerende goederen bestaat (“prépondérance immoblière”).

[4] Hierbij moet bijv. gedacht worden aan een fabrieks- of kantoorgebouw, het door een aannemer te bouwen en te verkopen onroerend goed, projectontwikkeling, gemeubileerd te verhuren onroerend goed (onder verdere voorwaarden), land- en/of bosbouwgronden, mijnen. Verhuur van ongemeubileerd onroerend goed wordt sowieso niet als exploitatie van een commerciële onderneming beschouwd, maar als een beleggingsactiviteit.

[5] Het zgn. “Pacte Dutreil”, waarbij aandeelhouders in een vennootschap met een commerciële onderneming konden bewerkstelligen – door zich te verbinden de aandelen in die vennootschap gedurende tenminste twee jaar niet te vervreemden – om vrijgesteld te worden van 75% van de waarde van de aandelen voor de Franse vermogensbelasting, is de facto niet meer van toepassing. De waarde van die aandelen is immers niet meer belast en – voor zover die waarde wordt bepaald door aangehouden onroerend goed in de vennootschap – is dat onroerend goed vrijgesteld als het wordt aangewend voor de exploitatie van de commerciële onderneming van de vennootschap. Dit neemt niet weg dat het “Pacte Dutreil” nog wel steeds van toepassing is voor de erfbelasting.

[6] Het heeft geen zin leningen met een zeer lange looptijd overeen te komen, omdat leningen – willen zij überhaupt aftrekbaar zijn – op zakelijke voorwaarden gesloten moeten zijn, dat wil zeggen een lening welke een bank op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.

[7] Familieleden in de rechte lijn zijn ouders en/of meerderjarige kinderen en niet de personen, die tot de fiscale huishouding van de belastingbetaler behoren, zoals bijv. de echtgenoot, de officiële samenlever, de minderjarige kinderen. Leningen van laatstbedoelde personen kunnen in het geheel niet afgetrokken worden van de belastbare grondslag van de vermogensbelasting.

[8] Voorheen was er sprake van misbruik van recht als een structuur was opgezet met als enig doel om betaling van belasting te voorkomen. Sinds 1 januari 2018 is voor het aanwezig achten van misbruik van recht voldoende als het primaire doel c.q. de hoofdreden voor het opzetten van een structuur is het voorkomen van betaling van belasting. Het is aan de belastingbetaler om in voorkomend geval te bewijzen dat zulks niet het geval is. Lukt hem dat niet dan wordt door de structuur heen gekeken en zal de lening niet aftrekbaar zijn.

[9] Wet Sociale Lasten 2018, Wetboek van Sociale Lasten art. 136-8 (“Code de la Sécurité Sociale”)

[10] In het De Ruyter-arrest van 26 februari 2015, 623-13 HJEU, is bepaald, dat de ingezetenen van de EU, waarop reglement 1408/71 over de sociale wetgeving van de EU van toepassing is, slechts in één land van de EU aan betaling van sociale lasten onderworpen kunnen worden. Artikel 24 van de Franse wet op de sociale lasten 2016 bepaalt dat bij verkoop van onroerend goed door niet-Frans fiscaal ingezetenen, de over de gerealiseerde meerwaarde te betalen algemene sociale lasten niet langer worden gebruikt voor de betaling van de sociale uitkeringen aan in Frankrijk wonende gerechtigden daartoe, maar voor de financiering van de sociale infrastructuur. De wet suggereert dat deze algemene sociale lasten daarom niet langer door reglement 1408/71 van de EU en het De Ruyter-arrest van het HJEU worden bestreken.

[11] Het maximum tarief van de erf- en schenkbelasting in de rechte lijn is in Frankrijk 45% en is van toepassing over het meerdere van € 1.805.000 per erfgenaam. Het maximale tarief in Nederland in de rechte lijn bedraagt 20% en is van toepassing op het meerdere van € 122.000 per erfgenaam

Over de auteur

Redactie FANF

Laat een bericht achter