Zorg

Zorg om de woonlandfactor

In 2018 ging de woonlandfactor plotseling met 11% omhoog.

De  FANF heeft hierop actie genomen. Hier vindt u de huidige ontwikkeling.

Oorsprong van de woonlandfactor
De Europese Unie heeft als uitgangspunt dat Europeanen zich binnen Europa vrij moeten kunnen bewegen. WanneerCAK gepensioneerde Nederlanders zich buiten Nederland willen vestigen kan het afsluiten van een nieuwe verzekering voor medische zorg een belemmering vormen. De ouderdom komt met gebreken. Dit kan een reden voor een nieuwe verzekeraar zijn om een onbetaalbaar hoge premie te verlangen of een verzekering te weigeren. Daarom is er een Europees verdrag opgesteld dat maakt dat men kan terugvallen op de sociale zekerheid die in Nederland is opgebouwd.

Men heeft recht op een verzekering via Nederland voor zorg in het woonland. Hier komt het begrip “verdragsgerechtigde” vandaan. Van dit recht is door Nederland een plicht gemaakt om te voorkomen dat deze verzekering te zwaar belast zou worden wanneer men er slechts gebruik van zou maken als het voordelig is.

Oorspronkelijk ging men uit van de Nederlandse premieheffing maar al snel werd door rechter en parlement naar voren gebracht dat dit niet eerlijk is wanneer de dekking in het woonland beduidend lager is dan in Nederland. Daarop werd de woonlandfactor ingevoerd. De woonlandfactor corrigeert de premie naar de verhouding van de totale zorgkosten in het woonland en Nederland.

Kritiek op de bepaling van de woonlandfactor
In 2018 werd de woonlandfactor voor Frankrijk plotseling verhoogd met 11%. Het is onwaarschijnlijk dat de verhouding van de zorgkosten in Frankrijk en Nederland zo snel verandert. Een oorzaak bleek een wijziging in de Nederlandse wetgeving te zijn.

De Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) werd afgeschaft, de Wet langdurige zorg (Wlz) en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kwamen ervoor in de plaats. Dit betekende dat een deel van de kosten die door de Awbz werden gedekt verhuisden naar de Wmo. Die kosten werden niet meer tot de zorgkosten gerekend waardoor de woonlandfactor omhoog ging. Voor de FANF was dit aanleiding om de berekeningswijze van de woonlandfactor nog eens onder de loep de nemen. We constateerden dat er met de jaren steeds meer verschillen waren ontstaan tussen de landelijke berekeningen van de zorgkosten. Daarop stuurde de FANF in juni 2018 een brief naar

Minister Bruins (VWS) waarin werd voorgesteld de berekeningswijze in het vervolg te baseren op gegevens van de World Health Organisation (WHO). De WHO heeft samen met de Organisatie voor Economische Samenwerking (OECD) en Eurostat een zeer robuust systeem voor vergelijking van zorgkosten tussen landen ontwikkeld, het System of Health Accounts (SHA). Tot onze voldoening zagen we dat het Ministerie bij de bepaling van de woonlandfactor 2019 al gebruik maakte van de WHO gegevens. Een bijzondere vergadering van de FANF met enige Kamerleden in september 2018 heeft hier mogelijk toe bijgedragen. Het Ministerie baseerde de woonlandfactor echter (nog?) niet direct op de WHO gegevens maar berekende op basis van de jaarlijkse ontwikkeling van de zorgkosten volgens de WHO de verandering in de woonlandfactor. Hiermede werden grote sprongen in de woonlandfactor voorkomen.

Wat is een redelijke woonlandfactor?
In de brief aan Minister Bruins rekende de FANF voor dat de woonlandfactor 2018 van 0,926 te hoog was. We kwamen op basis van de WHO gegevens op een factor 0,830. De woonlandfactor 2019 is 0,832 geworden! Dit betekent voor mensen met AOW en een even groot particulier pensioen een ongeveer 300 euro lagere premie en voor degene die de maximale premie betalen ruim 700 euro minder.

Men brengt vaak naar voren dat de woonlandfactor ongeveer 0,60 zou moeten zijn omdat de dekking is gebaseerd op het Franse systeem en de CPAM slechts 60% uitkeert. Naast de uitkering van de CPAM ziet men zich genoodzaakt een aanvullende verzekering af te sluiten. Het getal van 60% is echter niet juist. De CPAM keert 100% uit wanneer er sprake is van een ernstige langdurige ziekte; de Affection Longue Durée (ALD). Trekt men dit na dan blijkt 2/3 van het budget van de CPAM naar ALD te gaan. Eén op de zes zieken valt onder de ALD en die zieken kosten 7 keer zoveel als de anderen.

Rekent men dit door dan blijken beide gegevens met elkaar overeen te stemmen en komt men op een gemiddelde dekking van 82%. Dit is dus vrijwel gelijk aan de nieuwe woonlandfactor 2019! Men kan hier vervolgens nuanceringen in aanbrengen: de CPAM gaat uit van een basistarief dat lager kan zijn dan het werkelijke. Maar Nederland werkt met een eigen risico van 385 euro. Moeten wij in Frankrijk betalen voor langdurige zorg in Nederland? Frankrijk heeft echter weer relatief goede thuiszorg.

Kortom, we kunnen dekkingen tegen elkaar proberen weg te strepen maar dat zal niet goed lukken, al was het maar omdat de uitkomst voor een ieder persoonlijk anders kan zijn. Daarom onderschrijft de FANF het systeem van een woonlandfactor gebaseerd op de verhouding van de totale zorgkosten in beide landen.

Toekomst van de woonlandfactor
Het Ministerie van VWS heeft voor 2019 gekozen voor een aanpassing van de woonlandfactoren op basis van de jaarlijkse ontwikkeling in de WHO gegevens. Men vraagt zich echter af of deze benadering houdbaar is. Er is opdracht gegeven aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om dit te onderzoeken. Daarbij is aangegeven dat de FANF en de VBNGB (Vereniging Belangenbehartiging Nederlands Gepensioneerden in het Buitenland.) geconsulteerd moeten worden. Een reactie van de FANF wordt in het rapport opgenomen.

Tot genoegen van de FANF geeft het rapport ruim aandacht aan de voordelen van een berekeningswijze direct op basis van de WHO gegevens. Het rapport voegt daar echter aan toe dat men rekening zou kunnen houden met de financieringswijze van de zorg per land. Dit betekent dat er in de vergelijking op basis van de WHO gegevens gaten kunnen ontstaan. We zijn dan weer terug bij het probleem dat ontstond bij de overgang van de Awbz naar de Wlz en Wmo. De FANF heeft gesteld dat afwijkingen van het WHO systeem publiek zouden moeten worden verantwoord met zwaarwegende argumenten.

Wanneer we de ontwikkeling van de zorgkosten over de laatste jaren nagaan dan blijkt Frankrijk tot nu toe de kosten minder goed te beheersen dan Nederland. Dit betekent dat de kosten in beide landen dichter naar elkaar toe bewegen. Daarmee kan de woonlandfactor weer richting 1,0 gaan groeien.

De aanvullende verzekering
De gedeeltelijke dekking van de CPAM betekent dat velen een aanvullende verzekering nemen (Assurance Complémentaire/Mutuelle); dus een premie boven op de premie die al aan Nederland (het CAK) moet worden betaald. Naast focus op de woonlandfactor ligt het voor de hand deze premie ook eens te bezien. De bijdrage die in 2017 aan het CAK werd betaald bedroeg gemiddeld 2700 € per persoon per jaar. Daarmee wordt 82% van de persoonlijke zorgkosten in Frankrijk gedekt. De premie voor de aanvullende 18% zou dus verhoudingsgewijs ongeveer 600 € per jaar moeten zijn. In de praktijk is deze al gauw twee keer zo hoog. Dit kan deels worden toegeschreven aan basistarieven van de CPAM die door zorgverleners worden overschreden. De premie loopt immers op met het gedekte percentage tot een percentage van wel 300% boven het basistarief. Een belangrijker factor is echter de leeftijd. De premie van de Complémentaire loopt ook op met de leeftijd. De premie die wordt afgedragen aan het CAK is principieel leeftijdsonafhankelijk!

Door het verdragsrecht valt men terug op het Nederlandse solidariteitsprincipe ten aanzien van de leeftijd. Ten slotte kan de relatief hoge premie van de aanvullende verzekering nog worden toegeschreven aan de beheerskosten. Daar waar de beheerskosten van de Nederlandse verzekeraars rond 4% liggen en die van de CPAM op 6% komen bedragen de beheerskosten bij de Complémentaires 7 tot meer dan 30%!

Auteur: Guido Smoorenburg